Naar Thuisbladzijde
Pieter Geyl in Zuid-Afrika Op bezoek bij de mensen van het Afrikaner cultureel reveil ![]() Pieter Geyl in Londen, 1922. © FOTO UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT - Door Marcel Bas Pieter Geyl in Zuid-Afrika In 2000 is er door het Suid-Afrikaanse Instituut in Amsterdam een boekje in het licht gegeven dat geheel aan deze reis is gewijd. Verzorgd en toegelicht door P. van Hees en A.W. Willemsen bevat Pieter Geyl in Zuid-Afrika een bespreking van Geyls hoedanigheid als Heel-Nederlands denkend hoogleraar, en de rest van het boek is een volmaakte transcriptie van Geyls nog niet eerder gepubliceerde handgeschreven reisherinneringen, plus een daarna opgestelde nota voor de toenmalige Nederlandse regering om de Nederlandse taal en cultuur zo breed mogelijk via het onderwijs onder de Afrikaanssprekende mensen te brengen. Kortom, het boek is, zoals de ondertitel aangeeft, het verslag van de lezingentournee langs universiteiten in Zuid-Afrika. De idealen van Geyl Een kentering vond plaats in de jaren twintig en dertig toen het Afrikaans door de actieve inzet van Afrikaanse geestdriftigen ook bruikbaar bleek als omgangs- en schrijftaal voor intellectuelen. Afrikaanse taaldeskundigen hadden, al dan niet puttend uit de rijkere Nederlandse woordenschat, hun taal bruikbaar gemaakt voor alle lagen der maatschappij. Het was de volwaardige voertaal geworden van de pas opgerichte Afrikaanse universiteiten. Vele andere onderwijsinstellingen werden verafrikaanst. Ook cultuurkringen sprongen als paddestoelen uit de grond. De regering was inmiddels overwegend Afrikaans en de behoefte om een republiek naar Afrikaner inzichten op te richten werd in die tijd omgezet van wens naar politiek, intellectueel en staatkundig streven binnen de gehele Unie van Zuid-Afrika, dus niet alleen in de voormalige Boerenrepublieken. Het Boerevolk was maar net een grote vernedering te boven gekomen en het was zich aan het mobiliseren. Bij gebrek aan eigen middelen en taaleigen media werd tijdens deze grote intellectuele opwekking dikwijls gegrepen naar Angelsaksische literatuur en filosofie om gaten op te vullen. Geyl was ervan overtuigd dat de Nederlanden en de Nederlandse taal- en letterkunde de Afrikaners konden voorzien in hun intellectuele en taalkundige honger. De Afrikaners waren Diets en het zou ideaal zijn als zij ook uit de Dietse culturele reserves konden putten! De emancipatie van het Afrikaans Aangezien de Noord-Nederlander Geyl taalnationalistisch was bezag hij de emancipatie van het Afrikaans op twee manieren; enerzijds erkende hij dat de Afrikaanse opwekking een zege op het Engels was, anderzijds viel het hem op dat de Afrikaner belangstelling voor Nederland naar zijn mening niet zo groot was en dat onderhuids het ressentiment tegenover de Hollanders en hun taal nog steeds voortleefde, als erfenis van Nederlands koloniale regime. Immers, de Nederlanders minachtten in de daaraan voorafgaande eeuwen het Afrikaanse broebeltaaltje en probeerden het 'Hollands' bij de bevolking op te dringen.
Verder waren er toch onder de nationalistische academici die Geyl onthaalden, de politiek geëngageerden, die in hun haat voor het cultuurimperialistische en bepaald niet zachtzinnige Britse Imperium de Nederlanders wantrouwden omdat Nederland zich tijdens de Boerenoorlogen niet openlijk anti-Engels had getoond. De talrijke buitenparlementaire, particuliere initiatieven veler Nederlandse Boerenoorlogcomités ten spijt (zelfs Abraham Kuyper bezocht destijds de Koning van Groot-Brittannië - de opvolger van veroveraar Koningin Victoria - om te pleiten voor de Boeren), waren het in de late jaren dertig met name de vurigsten onder de nationalisten die Geyl met wantrouwen benaderden. Nederland was immers een slippendrager van het Empire. Afrikaans versus Nederlands Professor Geyl had alle respect voor de verschillende houdingen t.o.v. het Nederlands. Veel academici waren echte Hollandse vrienden en anderen gaven niets om de Hollandse oorsprong en taal. De Afrikaners hadden het Afrikaans verheven ten koste van het Nederlands. Het had niet veel gescheeld of het Engels had beide talen vervangen, en daar waren de Nederlandse schoolmeesters dan debet aan geweest omdat zij de Afrikaners wilden vervreemden van hun eigen taal en hun een vreemde, niet gesproken taal wilden opdringen. Het praktische Engels was dan de lachende derde. Maar we moeten de Afrikaners niet onderschatten. We hebben hier te maken met een gehard, trots volk. Het Nederlands was reeds sedert het begin van de achttiende eeuw niet meer de taal van de Kapenaars. Om zich te bewapenen tegen het dominante Engels moesten de Afrikaners zich op een gegeven moment ontdoen van het juk van de Nederlandse taal die hen dreigde te verzwakken. De voor de gemiddelde Afrikaner onoverkomelijke taalkundige ongerijmdheden met het Nederlands dwong hem te kiezen tussen de eigen taal of een taal waarvan hij zich vervreemd voelde. Geyl begreep dit volkomen. Nu was echter de tijd aangebroken om het Nederlands waar mogelijk aan te prijzen als de taal die hun letterkunde en woordenschat zou kunnen verrijken. De iets te vurige minderheid Maar de anti-Engelse houding sloeg bij de vurigsten onder de nationalisten in de jaren dertig meer en meer om in een opportunistisch-dilettantistische, pro-nazi houding. Dit bevreemdde veel mensen; waarom van het ene opportunisme - het pragmatisch pro-Engels zijn - overgestapt naar het andere? De Duitsers overzee waren verenigd in het Reich van Adolf Hitler en aangezien vele Afrikaners Duitse voorouders hadden en aangezien Duitsland wel eens de mogendheid kon zijn die het Britse Imperium op de knieën kon dwingen, vergat men Nederland en koos men voor nazi-Duitsland. Dit was choquerend voor de Heel-Nederlander Geyl die een ophanden zijnde Duitse bezetting van Nederland voorzag. Het was duidelijk dat er een wederzijds wantrouwen ontstond tussen Geyl en de vurigen.
Duitse propaganda Een navrant detail is dat Geyl deze reisherinneringen neerschreef tijdens zijn jarenlange internering door de Duitse bezetters. In eerdere geschriften van voor de oorlog deed hij immers afstand van Duitse propaganda in Heel-Nederlandse tijdschriften en boeken uit Nederland en Vlaanderen. Geyl bespeurde actieve Duitse propaganda aan de Afrikaanse universiteiten. Aan de lopende band werden universiteiten en colleges grondig verafrikaanst. Hier en daar liepen er Duitse ‘studenten’ op de universiteiten rond die niet studeerden maar allerlei pamfletten ronddeelden aan de vakgroepgenoten. Verder waren er uitzendingen te beluisteren op de Zuid-Afrikaanse radio die rechtstreeks afkomstig waren van Duitsland. De invloed van die Duitse zender was groot. Nederland was ook van plan een zender te planten, "maar die kwám maar niet!", aldus Geyl. Eindeloos heeft Geyl met de Afrikaners over de Duitse propaganda gepraat. Een Nederlands weerwoord liet maar op zich wachten en de academici waren best benieuwd en welwillend om dat andere geluid ook te horen. Volgens Geyl waren de Duitsers helemaal niet zo geïnteresseerd in de Afrikaners als volk, maar zagen zij in de Zuid-Afrikanen veeleer een militair-strategische bondgenoot die hun greep op Afrika kon versterken. De oude Duitse kolonie Südwest Afrika, het tegenwoordige Namibië, was reeds deel geworden van de Unie van Zuid-Afrika. Geyl heeft vlak voor de Duitse bezetting meer taalkundig en cultureel contact met de Nederlanden tot stand gebracht. Een verder verloop van deze ontwikkeling werd lamgelegd toen de Duitsers Nederland bezetten en Geyl c.s. vleugellam maakten. Overigens is Zuid-Afrika altijd erg belangrijk geweest voor de grootmachten. De kostbare grondstoffen en de militair-strategische ligging van Zuid-Afrika hebben tijdens en na de nazi-periode bij de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten een meer dan gemiddelde belangstelling gewekt. Over Zuid-Afrika is zowat de hele wereld gevallen, en heus niet aléén omdat er een onderdrukkende rassenpolitiek heerste. Nationalisme in de politiek Eindeloos heeft Geyl ook gepraat over de gunstige invloed die Nederland kon hebben op de Afrikaner taal en cultuur. De mensen die een humaan, positief nationalisme voorstonden en zich niet lieten leiden door angst hadden meestal oren naar Geyls pleidooien. Zo ontmoette hij in Kaapstad de gewezen hoofdredacteur van het invloedrijke nationalistische dagblad Die Burger.
Onvergetelijk is Malans toespraak van 1948 toen hij bij de opening van het Voortrekkermonument ten overstaan van vele tienduizenden Afrikaners het tijdperk van de Afrikaners inluidde; Malan was op dat ogenblik reeds premier van de Zuid-Afrikaanse Unie en leider van de eerste Afrikaner nationalistische regering. Zijn kabinet bestond uit de mensen die Geyl tien jaren voordien ontmoette; mensen die vol geestdrift gehoor gaven aan de roepstem van hun voorvaderen die, in de strijd tegen de Britten, waren gestorven voor Afrikaner zelfbeschikking. Malan was in de eerste plaats theoloog. Op basis van zijn overtuiging meende hij aan te tonen dat het omarmen van het Duitse Rijk een dwaling was. Geyl merkt op: "Maar was hij wel baas binnen eigen partij?" Jazeker, dat was hij. Kopstukken en goedgezinden
Een van de twee keren dat Geyl en zijn vrouw Lien niet in
een hotel verbleven maar bij iemand thuis, was ten huize van dr E.G.
Jansen. Jansen (1881 - 1959) was een nationalist die in de jaren
daarna op cultureel en geschiedkundig gebied zijn sporen zou verdienen als
voorzitter van talrijke cultuurorganisaties. In 1909 was hij een van de
oprichters van de Suid-Afrikaanse Akademie. Hij was schrijver van
artikelen en werken over de Grote Trek en zou van 1948 tot 1950 minister
van 'Naturellesake' (d.i. aangelegenheden van inheemse volkeren) in het
eerste kabinet van Malan zijn. Nadien was hij tot aan zijn dood in 1959
Goewerneur-Generaal van de Britse Koningin voor de Unie van
Suid-Afrika; een functie die te vergelijken is met die van Viceroy.
Jansen was kort na Geyls bezoek voorzitter van het
Voortrekker-Eeufeeskomitee waar hij de grootste volksheropleving
hielp tot stand komen door de onvergetelijke Simboliese Ossewatrek
te organiseren. Deze heropvoering van de Grote Trek, die een eeuw daarvoor
grote delen van zuidelijk Afrika voor de Nederlandse en westerse cultuur
ontsloten had, schudde de Afrikaners van allerwegen wakker. Men was een
beetje overdonderd door de geestdrift en de snelheid waarmee het
nationalisme sinds de verloren Boerenoorlog opbloeide. Ter afsluiting van
deze symbolische pionierstocht werden de grondvesten voor het te bouwen
Voortrekkermonument gelegd door E.G. Jansen en tien jaar later
mocht de eerste nationalistische premier D.F. Malan het imposante monument
bij Pretoria openen (voor meer informatie over de Simboliese
Ossewatrek en zijn blijvende invloed, klik hier). ![]() Het Voortrekkermonument anno 2002 Deze tien jaren kunnen worden gerekend tot de mooiste tijd uit het Afrikanerdom. Jansens rol was groot daarin, en behalve grote liefde voor zijn volk had hij oog voor de Kleurlingen en de Bantoes. In het boek Die Voortrekkermonument in Pretoria (1948) dat geschreven werd ter ere van de opening van het Voortrekkermonument, is hij de enige die de Kaffers niet omschrijft als barbaren en - wat meestal niet werd genoemd - maakte hij melding van de vele Kleurlingen die de Boeren vergezelden in de Voortrek. De bekende architect Gerard Moerdyk, die tevens het monument heeft ontworpen, liet zich in het boek, waar het de Bantoes betreft, van een veel minder begripvolle kant zien. Enkele passages uit zijn hoofdstuk zijn zelfs verwijderd omdat ze te Bantoe-onvriendelijk waren. In Stellenbosch ontmoette Geyl professor FranÃois Malherbe die in zijn hoedanigheid als hoogleraar Nederlandse en Afrikaanse Letterkunde in de praktijk werd geconfronteerd met hoezeer zijn studenten van het Nederlands waren vervreemd. Zij hadden niet meer als kind een Nederlands boek in handen gekregen. Tijdens zijn redevoeringen pleitte Geyl voor het bij kinderen introduceren van Nederlandse boeken en Malherbe was het met hem eens. Malherbe had een eigen methode ontworpen om zijn studenten met het Nederlands vertrouwd te maken. Het voornaamste was om rekening te houden met de smaak en het begrip van de jonge Afrikaners en niet, zoals C.J. Langenhoven zo sarcastisch opvoerde, vol waanwijsheid en omslachtigheid van de betweterige Hollandse schoolmeesters. François Malherbe promoveerde in Amsterdam op een proefschrift; Humor in die algemeen en sy uiting in die Afrikaanse Letterkunde. Met Abraham Jonker en Jacques Malan gaf hij vanaf 1937 het tijdschrift 'Ons eie boek' uit dat een grote pedagogische rol vervulde. Verder is de persoon De Vos Malan noemenswaardig, die Geyl bijzonder welwillend tegemoet trad. Malan was secretaris van onderwijs in het bestuur van de Kaap en ze zouden elkaar veel ontmoeten. Van de taalproblemen die men met het Nederlands ondervond kunnen we naadloos overgaan naar een ander kopstuk; over Henry Allen Fagan, een vooraanstaande Afrikaner die goed past in het proces van indrukwekkende verheffing van de Afrikaner waarvan Geyl deelgenoot werd, schrijft hij:
Fagan (1889 - 1963) schreef uiteraard in het Afrikaans en hij was jurist. Van 1914 tot en met 1915 was hij advocaat, dan journalist, professor in de Rechten in Stellenbosch, Lid van de Volksraad (parlement) en minister van Naturellesake (inheemse-volkerenzaken), Onderwijs en Volkswelzijn (1938), appèlrechter en hoofdrechter (1953 - 59). Zijn toneelstuk Ousus kreeg in 1935 met enkele andere toneelstukken van zijn hand de prestigieuze Hertzogprys. De verhouding tussen blank en andere rassen Geyl merkte al op dat veel Afrikaners de Bantoes en Kleurlingen als minderwaardige volkeren zagen waarvan wel dankbaar gebruik kon worden gemaakt als werkkracht. Hij zag dit met zorg aan; hoe lang nog konden de Afrikaners de meerderheid van het land eronder houden, en - sterker nog - snijden de Afrikaners zichzelf en hun taal en cultuur niet in de vingers als zij de nauw aan hen verwante en dezelfde taal sprekende Kleurlingen van zich vervreemden? Men had Geyl ervan overtuigd dat de kracht van het nationalisme in de taalstrijd lag en dat de taal ook het strijdpunt was voor de opkomende Nieuwe Afrikaner. Dit was wat hij ook verwachtte na zijn ervaringen in Vlaanderen, waar hij de vernederlandsing van vele instituten had helpen bespoedigen. Maar hij begon in Zuid-Afrika te beseffen dat er ook andere sentimenten meespeelden dan alleen taal- en cultuurtrots. Want waarom anders zou men de Kleurlingen niet omarmen en zich niet zorgen maken om hun maatschappelijke toestand?
Wat Geyl niet had kunnen bevroeden is dat de ontknoping
zich eerst in de jaren negentig van die eeuw zou voordoen. De Afrikaner
wou Zuid-Afrika blank houden, zo constateerde Geyl. De Bantoes werd niet
alleen land onthouden, maar ze werden ook afgevoerd naar woonkampen,
eufemistisch 'tuislande' genoemd. Tekenend voor de angst waarmee de
Bantoe van de Blanke werd afgedreven is de volgende aanhaling uit de
reisherinnering:
Natuurlijk kon hij niet ontkennen dat er een kloof van beschavingen tussen blank en zwart gaapte en dat het kleurtje op de huid van beide rassen in het niet viel vergeleken bij het verschil in beschavingspeil. Tot op de dag van vandaag is écht samenleven met de meeste Bantoes voor de blanke vrijwel onmogelijk en dat is niet te wijten aan racisme maar aan onoverkomelijke verschillen in gedrag en moraal. Samenzijn op de werkvloer is totnogtoe wel haalbaar gebleken, al leggen tegenwoordig meer en meer Bantoes een verwesterde houding en intellectuele ontwikkeling aan de dag die, al dan niet ingegeven door carrièreoogpunten, contact met de blanken mogelijk maakt in het onderwijs, besturen en privé. 'Adapt or Dye' zei de Zuid-Afrikaanse cabaretier Pieter-Dirk Uys reeds in het begin van de jaren negentig. Die Dertigers Behalve politiek geëngageerde intellectuelen ontmoette Geyl de dichters en schrijvers die later bekend zouden komen te staan als Die Dertigers. Dit was een geslacht van dichters dat om en nabij 1930 aan het woord kwam en op het gebied van de poëzie een volwassenheid bevestigde die de Afrikaner op de andere terreinen aan het bereiken was. Figuren waren: C.M. van den Heever, I.D. du Plessis, W.E.G. Louw, N.P. van Wyk Louw, Uys Krige en Elisabeth Eybers. Laatstgenoemde woont thans nog steeds in Nederland. Wat de werken dezer dichters onderscheidt van andere stromingen is het ongekende, bruisende enthousiasme en de biechttoon, de wil tot kunstenaarschap, de accentuering van de noodzakelijkheidvorm en het rake en mooie woord. De dichter wordt een bewuste vakman.
Na het bezoek; werk aan de winkel Na zijn bezoek aan Zuid-Afrika, waar hij behalve Afrikaner politici en culturele kopstukken ook de Nederlandse ambassadeur Van Lennep en Nederlandse hoogleraren ontmoette, probeerde professor Pieter Geyl door het laten zenden van Nederlandse boeken en langspeelplaten naar onderwijsinstellingen intensievere culturele uitwisseling met Zuid-Afrika op poten te zetten. Dat was een lijdensweg. Hij heeft gesproken met Van Kleffens van Buitenlandse Zaken. Hij luisterde tenminste, maar de toenmalige minister Patijn bezag Geyl ietwat sarcastisch als een onbeduidende persoon. Hij trok wat bij toen hij doorhad dat-ie Geyl had gekwetst, maar het gesprek was zinloos.
Hoe klein het Afrikanervolk is, zo groot is het aantal clubjes en organisaties dat zich tracht in te zetten voor het behoud en de uitbouwing van de Afrikaner taal en cultuur. De energie en de goede wil zijn er; de saamhorigheid en continuïteit ontbreken echter dikwijls. Hij bereikte wel wat via de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging (NZAV) en het Algemeen Nederlands Verbond (ANV) die een paar kisten met kinderboeken naar Bloemfontein zonden. Bij de AVRO vond hij in de persoon van voorzitter Vogt een gewillig oor. Vogt heeft dan ook platen naar Zuid-Afrika gezonden. Het werk was wat verdeeld, ongestructureerd en verdere kansen werden afgesneden door de Tweede Wereldoorlog. Pieter Geyl heeft zich na de bezetting geconcentreerd op zijn werkzaamheden in de Verenigde Staten. Langzaam maar zeker verdween zijn inzet voor Zuid-Afrika en de Heel-Nederlandse zaak. In zijn hoofdwerk, De Geschiedenis van de Nederlandse Stam, een gechiedenis van het Nederlandse taal- en cultuurgebied, ontbreekt Zuid-Afrika niet. Het eerste deel verscheen in 1930 en het derde en laatste deel in 1937, waarbij het verhaal liep tot 1751. Tussen 1948 en 1959 verscheen een nieuwe uitgave in drie delen, waarbij het verhaal tot 1798 werd gebracht. Zijn verdienste voor Zuid-Afrika laat zich vooral gelden op het gebied van de bewustmaking; De Nederlanders in Nederland en België weten dat zij nauw aan de Afrikaners verwant zijn en dat dat iets is wat consequenties heeft voor hoe men Zuid-Afrika beziet. We moeten beginnen met elkaars talen te leren begrijpen en elkaar te ondersteunen in het spreken en blijven schrijven van onze talen Nederlands en Afrikaans. Dit heeft Geyl ons aangetoond. Pieter Geyl heeft in 1938 een artikel geschreven naar
aanleiding van deze reis langs de Zuid-Afrikaanse academies. Dit artikel
is integraal opgenomen bij De Roepstem en kunt U hier inzien: "Zuid-Afrika in Diets
Verband." Voorschoten, Marcel Bas Geraadpleegde literatuur:
Dit artikel is ook integraal gepubliceerd als onderdeel van het Zannekin Jaarboek 2003 nummer 25; het jubileumdeel. Voor meer informatie over de belangwekkende cultuurhistorische en Heel-Nederlandse Stichting en Vereniging Zannekin, kijk via deze verwijzing op de Zannekin Webstek. |
