Naar Thuisbladzijde
Groen van Prinsterer en de scheuring van de Nederlanden Het leven van een bevlogen Heel-Nederlands denker & staatsman ![]() Mr Guillaume Groen van Prinsterer - Door drs Ruud Bruyns De persoon G. Groen van Prinsterer. Mr. Guillaume Groen van Prinsterer (°1801 †1876) was
de meest vooraanstaande protestants-christelijke denker en politicus
in de Noordelijke Nederlanden tijdens de 19de eeuw. Hij
stond aan de wieg van de zgn. anti-these, dat wil zeggen de
tegenstelling tussen revolutionaire ideologieën en de
anti-revolutionaire levensbeschouwing. Groen van Prinsterer was in de jaren na de beëindiging van zijn studies rechten en letteren te Leiden in 1823 op zoek naar een geschikte betrekking voor een loopbaan. Hij was weliswaar voorlopig werkzaam als advocaat aan de Haagse balie, maar zijn hart lag toch bij de wetenschap, en in het bijzonder de geschiedenis: "Reeds vroeg is geschiedenis en staatkunde mijn geliefkoosde studie geweest." Enkele professoraten gingen echter vlak langs zijn neus voorbij, alvorens hij in 1827 door de tussenkomst van zijn vader een betrekking kreeg als referendaris aan het Kabinet van Koning Willem I. Het jaar daarvoor zal hij nog één poging ondernemen om in de academische wereld terecht te komen. Groen van Prinsterer en het Koninkrijk der Nederlanden. Groen van Prinsterer groeide op in het tijdvlak, dat
de Nederlanden weer één staatkundig geheel vormden in de vorm van een
koninkrijk. In 1826 werd er per koninklijk besluit bepaald, dat er een opstellenwedstrijd diende te worden gehouden om een methode te vinden, waarop de vaderlandse geschiedbeoefening diende te worden behandeld. De winnaar van de wedstrijd zou worden benoemd tot ‘Geschiedschrijver des Rijks’. Groen van Prinsterer stortte zich gretig op deze wedstrijd, die tegemoet kwam aan zijn belangstelling en ambitie. In 1827 zou de uiteindelijke uitslag bekend worden gemaakt, maar uiteindelijk zou de uitslag tot het rampjaar 1830 op zich laten wachten. Groens opstel werd echter wel tot de beste inzending verkozen! Ondertussen was Groen, zoals boven vermeld, reeds werkzaam als referendaris aan het Kabinet des Konings. Tussen 1827 en 1830 zat Groen van Prinsterer niet stil. De nieuwe eenheid van de Nederlanden begeesterde hem zeer. Hij zag er mogelijkheden in om de burgers te inspireren tot een patriottisch burgerschap door "de opwekking van den echt Nederlandschen geest". In 1829 publiceerde hij het geschrift Volksgeest en burgerzin, dat daartoe een aanzet gaf. Dit geschrift leidde tot de uitgave van een maandblad met de naam Nederlandse Gedachten, dat vanaf 1829 tot 1832 onder zijn redactieschap werd uitgegeven. Het was een bewust Heel-Nederlands blad, dat "…den welgezinden in België gerustheid omtrent Hollanders en Protestanten te geven, en den bijna verscheurden band tusschen de onderscheidene deelen des Rijks te herstellen." Noord en Zuid. De hereniging van Noord en Zuid werd door veel mensen
gezien als een logische historische correctie van een noodlottige
staatkundige scheiding tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).
Afbeelding: Hier verovert
Jean-Baptiste Jourdan in 1794 de Nederlanden bij het Belgische
Fleurus De kwestie van de landstaal was voor Groen dan ook cruciaal: "Nu is de vraag voor de Nederlandse natie of ze Nederlands wil blijven of Frans worden? Indien voor dat laatste wordt gekozen, zal het Zuiden opgaan in Frankrijk." Hij drukte dit daarom ook kort en bondig uit: "De taal is het kenmerk van de Natie." Het Koninkrijk der Nederlanden bevatte weliswaar Franstaligen en Walen, maar volgens Groen moest de landstaal van de Nederlanden Nederlands worden, omdat dat volgens hem de sleutel was tot de verbroedering. Hij wilde het Waals echter niet doen laten verdwijnen, maar laten voortbestaan als omgangstaal naast het Nederlands als landstaal voor de Nederlanden. Groen was zeker niet blind voor andere onderlinge verschillen, zoals de godsdienst. De grens tussen de Rooms-katholieke en Protestantse gewesten liep immers dwars door de Nederlanden langs de Grote Rivieren. De strenggelovige protestant Groen van Prinsterer was bereid omwille van de volkseenheid de vrijheid van godsdienst voor Katholieken te waarborgen op grond van wederkerigheid, maar bleef desondanks de Katholieke hoge geestelijkheid wantrouwen. Hij liet zich echter voorlopig leiden door de ‘geest van christelijke verdraagzaamheid’, die hij koesterde als een Hollandse protestantse deugd. De geest van de revolutie en slechtgezinde facties. "Deze eerste Nederlandsche Gedachten schreef ik onder den adem van het Réveil en in de sfeer der Revolutie." Deze zinsnede van Groen van Prinsterer geeft goed de sfeer weer, waarin de Nederlanden zich in 1829 bevonden. De Franse bezetting had zijn sporen achtergelaten op verscheidene vlakken van de samenleving. De politieke elite sprak veelal louter Frans, welke destijds als de cultuurtaal bij uitstek gold. Maar ook de ideeën van de Franse Revolutie hadden hun sporen achtergelaten, ondanks de nederlaag van het Republikeinse Frankrijk en het herstel van de monarchie in Frankrijk. Groen zag het als één van de hoofdtaken van Nederlandse Gedachten om de kwaadwillende krachten binnen de Nederlanden het hoofd te bieden: "Ons doel zou wezen wederstand te bieden aan de factie, die al, wat Nederland voortreffelijks bezit, in gevaar heeft gebragt." Hij doelde hier met name op het monsterverbond van ultraliberalen en ultrakatholieken in de Zuidelijke Nederlanden, die in zijn ogen de monarchie, de grondwet en de Nederlandse beschaving omver wensten te werpen ten gunste van de Franse revolutionaire ideeën en de onvoorwaardelijke onderhorigheid aan de Paus. In het laatste geval was de angst niet gericht tegen het Katholieke geloof op zich, maar de macht en de ambities van de hoge geestelijkheid. In Nederlandse Gedachten trachtte Groen vooral om door middel van de verzameling gelijkgezinden om enerzijds eenheid te bevorderen, en anderzijds tweespalt de kop in te drukken. Hij wilde eendracht kweken door zich als natie te scharen rond Oranje en het Christendom en tegelijkertijd een actief optreden ten aanzien van "de factie, de Franschgezinden, de voorstanders van de Fransche beschaving, Fransche zeden, Fransche begrippen gevoelens." Tevens reikte hij de hand uit naar "welgezinde en gematigde Katholijken" door te pleiten voor ware vrijheid van godsdienst in de Nederlanden: "Alle gezindheden moeten worden beschermd." Revolutie en oproer. In juli 1830 braken er in Parijs liberale onlusten uit, die al snel oversloegen naar andere plaatsen, waaronder Brussel. Franstalige liberale kringen binnen de Zuidelijke Nederlanden hadden wel oren naar een opstand om een liberale staat te stichten met de hulp van Frankrijk. In augustus 1830 brak er onrust uit in Brussel en al spoedig verspreidde de onrust zich over andere delen van de Zuidelijke Nederlanden. Groens angst voor het overwaaien van Franse revolutionaire ideeën werd hiermee werkelijkheid: "In Frankrijk is de omwentelingsgeest los. De Jacobijnse leer, onder den tooi van Liberalismus, van milde en vrijzinnige denkbeelden omkleed, komt in haar gansche afschuwelijkheid aan den dag." De Nederlandse Gedachten werden door Groen na augustus vrijwel uitsluitend gewijd aan de Belgische opstand. Hij nam vooral aanstoot aan de weifelende houding, waarmee de koning en de regering de onlusten in het Zuiden tegemoet traden. Volgens Groen moesten de muiters zo snel en zo hard mogelijk worden gestraft, omdat zij de wet – en in het bijzonder de grondwet – en het koninklijk gezag niet eerbiedigden. Als er grieven waren, dan dienden die in de ogen van Groen langs de wettige kanalen kenbaar te worden gemaakt, waarna er naar een oplossing kon worden gekeken. Groen begreep dus wel, dat er in het Zuiden bepaalde grieven leefden, maar dat rechtvaardigde in zijn ogen geen opstand tegen het wettige gezag. De grootste angst van Groen van Prinsterer was echter, dat de geest der revolutie zou overslaan naar de rest van de Nederlanden en het staatbestel omver zou werpen: "De vreeselijkste vijand is de leer, die in Frankrijk de overhand verkrijgt." De Belgische opstand en de scheuring der Nederlanden kunnen we dan ook beschouwen als een waterscheiding in het denken van Groen. Hij zag de scheuring van de Nederlanden niet alleen als een nationale ramp, maar evenzeer als een levensbeschouwelijke bedreiging. Vanaf die tijd zal zijn politieke loopbaan in het teken staan van het bestrijden van de revolutionaire ideologieën. Hij formuleerde zijn politieke handelen dan ook als anti-revolutionair. België en Holland in het bewustzijn van Groen van Prinsterer. Aanvankelijk pleitte Groen voor het voorkomen van een scheiding van de Nederlanden. Maar door de opstand in Brussel (augustus), de aftocht van het veldleger (september) en de instemming met de afscheiding van België door de regering (oktober) was hij zo ontmoedigd, dat hij zich neerlegde bij de nieuwe realiteit: "Het Rijk der Nederlanden is in tweeën gescheurd." In zijn ogen was het Zuiden overgeleverd aan de revolutionaire liberalen en hij verwachtte dat de nieuwe staat België weldra door Frankrijk zou worden opgeslokt. Groen betreurde de scheuring ten zeerste, maar uiteindelijk zag hij de scheuring als een bittere noodzaak om revolutionaire ideeën buiten de deur te houden. Naarmate de scheuring zich duidelijker aftekende nam
het animo voor Nederlandse Gedachten af Door de scheuring van de Nederlanden voelde Groen van Prinsterer zich geografisch en geestelijk teruggeworpen in zijn thuisgewest: het calvinistische Holland. In zijn ogen waren de Zuidelijke Nederlanden overgeleverd aan de liberale revolutionairen, maar dienden de Noordelijke Nederlanden daarvoor te worden behoed. Hij zag Holland voortaan als een calvinistisch bolwerk, dat als een laatste verdediging moest worden beschermd tegen het oprukkende liberalisme. Groen van Prinsterer zou zich de rest van zijn loopbaan blijven inzetten voor Holland, Hervormde Kerk en Koning. De nationale idealen maakten dan ook spoedig plaats voor de diepreligieuze politieke overtuiging, waarmee hij bekend is geworden. Drs Ruud Bruyns Geraadpleegde literatuur: P. A. Diepenhorst, Groen van Prinsterer (Kampen 1932). R. Kuiper, ‘Tot een voorbeeld zult gij blijven’ Mr. G. Groen van Prinsterer (Amsterdam 2001). A. Smits O.S.B., 1830, Scheuring van de Nederlanden III (z.j., z.p.) |
